HELE VIS

 

* De ogen moeten glanzend en bol zijn (neem geen vis met doffe, ingevallen ogen).

 

* De huid en het vlees moeten er glanzend uitzien en stevig aanvoelen. Als de vis zover gebogen kan worden dat de bek de staart raakt, is hij waarschijnlijk over zijn hoogtepunt heen.

 

* De staart van de vis moet vochtig en buigzaam zijn, niet uitgedroogd.

 

* Bij geschubde vis moeten de schubben gelijkmatig verdeeld zijn: de schubben moeten stevig zijn en intact.

 

* De kieuwen moeten helder- tot donkerrood zijn, zonder sporen van slijm.

 

VISFILET OF VISMOTEN

 

* Het vlees moet glanzend en vochtig zijn, zonder tekenen van verkleuring. De filets of de moten mogen niet in het vocht drijven.

 

* De stukken vis mogen aan de randen niet zijn uitgedroogd.

 

NIET LEVENDE SCHAALDIEREN

 

* Geen verkleuringen, in het bijzonder bij de poten, scharen en kop.

 

* De schaaldieren moeten heel zijn. De dieren mogen geen water bevatten en moeten zwaar zijn in verhouding tot het formaat.

 

LEVENDE SCHAALDIEREN

 

* Zijn steeds blauw, zwart of groen.

 

* Dienen actief te zijn en vrij te bewegen. Scharen en poten moeten heel zijn, niet gebroken of los.

 

* Mangrovekrabben moeten bijeengebonden blijven tot ze zijn gekookt.

 

SCHELPDIEREN

 

* De schelpen moeten goed gesloten zijn of na een tikje snel sluiten. Ze moeten heel zijn en glanzend.

 

* Het vlees moet stevig en veerkrachtig zijn en terugspringen als het wordt aangeraakt.

 

* Kop, tentakels en lichaam moeten heel zijn.